Kort fantasyverhaal: In voor- en tegenspoed

In voor- en tegenspoed

-over een vervloekte schatkist en zijn bewaker-

 

“Nee, jij trekt volle zalen, nou goed?” Schatkist was goed kwaad nu. Zo kwaad was ‘ie nog nooit geweest. Nou ja, nooit. Hij wist niet hoe lang dat was, want hij was een antieke zeemanskist en stond al kist te zijn zo lang als ie zich kon herinneren, maar kwaad was ie!
Maar skelet was zo mogelijk NOG kwaaier.
“Oh. Wow. Dat is ZO gemeen. Je WEET dat ik niets liever wil. Je WEET dat ik toen ik nog een levende nobelman was, dat ik gek was op theater. Dat heb ik je allemaal verteld. En ook wel meer dan eens! Nee, dit is laag, zelfs voor jou!”
Schatkist was niet onder de indruk.
“Nobel, nobel. Zo ken ik er nog wel een paar. Van adel, eens, ooit, okay. Maar waarom denk je dat je hier bent? Dat je hier nog steeds bent bedoel ik. Echt niet omdat je zo nobel was hoor, meneer de verheven theaterconnaseur. Jij, knokelkop die je bent, jij was een piraat.”
“Niet! Ik was een prins!”
Kist klepperde een diepe zucht.
“Even serieus? Ga je dat nou staan te ontkennen hier? Weer?”
“Niet!”
“Oh je ontkent het niet? Nu ben ik in de war. Je moet niet zo verwarrend doen hoor, daar ga ik van doorrotten.”
Skelet stampte met zijn ene verweerde piratenlaars op de grond. Als ie nog rood had kunnen worden, had ie makkelijk voor een kist tomaten door kunnen gaan.
“Niet, niet niet! Het was een vergissing! Ik ben onschuldig! Onschuldig zeg ik je!”
Kist gaf het op.
“Krijgen we dat weer. … Goed joh. Wat jij wil. Ik ben er klaar mee. …. Vertel me dan alleen dit, kaalgevreten, onbegrepen genie, hoe kan het dan dat je me uberhaupt hebt gevonden? Eh? Hier in deze grot?”
“… Per ongeluk.”
“Per. Ongeluk.”
“Jazeker! Dat gebeurt. En het gebeurde mij.”
“Dat… is het meest belachelijke dat ik je in al die tijd dat ik hier met je zit opgescheept, heb horen verkondigen. Dat spant de kroon. En dan heb ik het niet over degene die ik in me meedraag. Een ongeluk. En dan is de schatkaart die je nodig had om me op het spoor te komen zeker ook volledig toevallig in de je schoot geworpen? Eeh! Beledig me niet nog verder met een antwoord. Hoe lang val me je nou al lastig met je geklaag en gejank?”
Skelet was ondanks zichzelf toch best een beetje onder de indruk van al dat verbale geweld en werd er stil en zowaar wat timide van. Dat hij natuurlijk ook wel wist dat Kist gelijk had, hielp mee.
“Nou! Hoe lang!?”
Skelet dacht na. “Eh, ja, eh, ongeveer twee eeuw-”
“Veel te lang! Langer dan ik WIL weten! En dat komt door de vloek die over me is uitgesproken. Dezelfde vloek die jou hier houdt. Die PIRATEN vervloekt. PIRATEN die het op de schat gemunt hebben en het gevecht met mijn schatbewaarder winnen. PI-RA-TEN die daarna als schatbewaarder moeten dienen tot de volgende PIRAAT op komt dagen.”
“Ja, ja, ja.”
“Ja! En wie krijg ik over de vloer? Eh? Ik? Schatkist van de legendarische zeeschuimer GroenBaard? De gesel van de zeven wereldzeeen? Jou. De enige, overigens slecht acterende, jankende, klagende, zeurende weekendexcuuspiraat ter wereld. Dank je wel hoor! En dan kan het nog zwaardvechten ook! Dank je dat je het ooit in je verwaande, verwijfde harsens hebt gekregen dat je zonodig op avontuur moest!”
Het klepperen hield op.
Tocht trok een zacht fluitend spoor door de donkere grot. De grote kaarsen die skelet op aanwijzing van kist kort daarvoor aangestoken had, waren bijna op. Ook de stapels dubloenen die hoog rond kist stonden opgestapeld, blinkten zoals ze alleen konden blinken wanneer skelet zich voldoende gewaardeerd voelde door kist. Het wachtte even, draaide zich toen om en legde bijna liefdevol een knokige hand op het donkere, metalen beslag van kist. Deze kraakte zachtjes.
“Ben je het kwijt?”
“… Ja. Dank je. Dat luchtte op. I needed that.”
Skelet glimlachte flauwtjes. Nou ja, glimlachen…
“Weet ik toch. Dat weet ik al een eeuwigheid. Jij, en ik, kist. Ik en jij.”
“Schiet nou maar op, die kaarsen staan er niet voor niets. Als ik het goed heb gehoord van drijfhout daar, zijn er zowaar gasten op komst! Blinkt je zwaard?”
“Blinkt!”
“Is ie scherp?”
“Zo scherp als jij.”
“Ik hoor voetstappen! Daar ga je.”
Skelet zakte in elkaar, vlak bij kist, voor een maximaal dramatisch effect straks, als de onoplettende piraten te dichtbij zouden komen. Niemand kon zich zo mooi bot voor bot opbouwen als hij. Toevallig.
Toen werd het andermaal stil. Het schijnsel van naderende, brandende toortsen speelde een luguber spel op het verhemelte van de grot. Hun grot.
Kist klepperde nog 1 keertje, heel zacht: “Win maar weer he? Dat ben je aan je stand verplicht, jij. En aan jou ben ik gewend.”
Er klonk een zucht.
“Dank je. Ik ook van jou.”

EINDE.

 

Benne van der Velde
2018

 

 

 

 

 

 

 

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.